"Ieder
mens, stelt Marx, is een kunstenaar. Nietzsche
geeft in De Geboorte van de Tragedie (1872) aan deze gedachte een andere wending
wanneer hij de mens alleen kunstenaar noemt, maar ook een kunstwerk. Inmiddels
is de mens tevens de hamer. Ecce homo: maker, materie, medium en message ineen.
Dasein wordt Design. Maar een stilering van een leven begint nooit bij een nulpunt:
voordat we ook maar 'ik' kunnen zeggen, zijn we - om Heidegger en differentiedenkers
productief te verbinden - al in vele geschiedenissen en vertogen 'geworpen'.
De worp is een toevalstreffer. Toch situeert het (in)dividuen mediamiek: ieder
leven is collectief cultuurhistorisch bemiddeld. In een altijd reeds voorgegeven
inhoud werkt hoogstens het leven door als ongeinformeerde 'materie': als pathos.
Het is deze bespookte inhoud die zich uitdrukt. Inhoud en expressie vormen hierbij
geen binarie tegenstelling: het zijn accenten in een supplementair spanningsveld
dat het 'eignelijke' onderwerp is van stilering. Als subjectiviteit en maakbaarheid
nog kleinschalig gelden, dan in een tweevoudig ontwerpen, van dit geworpen zijn:
vele handen maaken zich een lot 'eigen' door het te orienteren op een 'Gesamt'.
Henk
Oosterling
Radicale Middelmatigheid
2000



SANCTUARY
MENTAL SPACE
Vanaf 21 december start de expositie :
" Sanctuary Mental Space " een 3-dimensionale catalogus van
de tentoonstelling S.M.S die van 4 tot 23 november 2003 in het Centraal Museum
te Utrecht ontstond.
De OPENING is 21 december 2003 vanaf 17:00
in het iLLUSEUM.

sms
sanctuary mental space
sms
is a return to the sacred
sms
is an evocation
sms
casts the money lenders out of the temple
sms
recognizes the new clothes of the art world's emperors for what they are
sms
is free
sms
samples at will, there is no copyright
sms
is a project of the abraxas younity movement
sms
isn't art, it's a healing
sms
loves you
A
space is always a construct.
Sanctuary Mental Space was constructed as an antidote to the emperor's
new clothes of contemporary art's sterile impotence.
SMS
communicates not an abstract message but the jouissance of
unbrideled creative energy - doing it live; in-mediately.
SMS
is a project of the Abraxas Younity Movement in collaboration with
Silent Woods Industries & La Quinta Essentia.
SMS
moves on, Youniversally, as of 12/12 2003 in Het iLLUSEUM, Witte de
Withstraat 120, Amsterdam
Ceremony
The basis of ceremony is
that man is the microcosm of the Youniverse, that man is himself a little
Youniverse, that he has aspects which are also those of the one Youniversal
life. He can learn to manifest these aspects of himself the more easily if
he will work with others at a common constructive task. A rightly devised
ceremony is thus a model of the occult Youniverse, to the construction of
which each participant contributes appropriate qualities, and it is also a
model of the inner nature of the true man. Since a mere model of the Youniverse
would of itself be restrictive as well as evocative, a well-devised ceremony
will always have a central mystery or “secret” of some kind, through
which the participant may pass beyond the form. The symbol must have a heart
which is life rather than form, and for the occultist it presents a challenge
to pass into and through it to a reality which is not expressed in any outward
form. In ceremony there ought to be the possibility of passing on from a knowledge
of an immanent life working through a form to knowledge of an immanent life
which overshadows and is greater than the form. Thus a true ceremony will
be not merely a static model of the Youniverse but will involve a quest for
a further underlying mystery, some equivalent of the elusive mystery of eity.
A true ceremony remains dynamic and alive because of the mystery which it
enshrines.
The element in ceremony which is perhaps most noticeable to the outside spectator
is repetition. A ceremony always follows some sort of pattern. The patterns
come from inside ourselves. All over the world, in communities which have
been widely sundered from one another for thousands of years, the same basic
ceremonial patterns can be discerned. The pattern that is worked out by a
group of people who are performing a ceremony tends towards one or the other
of two types. On the one hand it can be an unconscious pattern, a pattern
belonging mainly to our instinctual past and approximating to some common
factor among the participants. The participants are not really very sure of
what they are doing or why they are doing it. They are behaving as a herd,
perhaps a nice well behaved herd, perhaps a destructivbe sinister herd.
But there is another kind of ceremony in which the pattern is a conscious
one. It may be in many ways the same pattern as others will work out consciously,
but it is chosen with some knowledge and shaped from the point of view, not
of what man has been, but of what man may become. It is based more on potentialities
than on memories.
It is this kind of ceremony that the Abraxas Younity Movement is constructing
in the gesamtkunstwerk, Abraxas In The Underworld.
De
dokter en de kunstenaar
In Nederland is kunst een verplicht nummertje voor de politiek. Amateurs,
professionele kunstenaars: ze worden allemaal gerekend tot de gemeenplaats
«cultuur». Net als televisie en ander amusement.
‹
door Dick Tuinder
Eerder
dit jaar, bij de uitreiking van de Charlotte Köhlerprijs voor jeugdige
kunstenaars, hield voormalig staatssecretaris van Cultuur Elco Brinkman het
openingswoord. Brinkman is voorzitter van het Prins Bernhard Fonds dat de prijs
beheert. Tijdens zijn toespraak bekende Brinkman met een opvallend gebrek aan
gêne dat hij nog nooit van een van de vijf winnaars had gehoord. Hij,
de voorzitter van een van de grootste kunstfondsen van Nederland, hulde zich
schaamteloos in onwetendheid over wat feitelijk zijn vakgebied zou moeten zijn.
Dit soort terloopse desinteresse, en ermee wegkomen, is eigenlijk alleen denkbaar
in de wereld van de kunst.
In een artikel in Vrij Nederland van afgelopen week wordt de Amsterdamse wethouder
van Cultuur Hannah Belliot geportretteerd. Haar dédain voor de kunsten
wordt met onverbloemde sympathie beschreven. Hoe ze bijvoorbeeld tijdens een
van haar zeldzame schouwburgbezoeken, halverwege een Hamlet, de zaal verlaat,
«want dan heeft ze het wel gezien». Haar gedrag wordt vergoelijkt
door een anonieme «adviseur»: «Ze is bestuurder, geen zetbaas
voor cultuur.»
Nu het tijdperk van de gedachten definitief is overgegaan in het tijdperk van
de meningen wordt de comateuze toestand van de Nederlandse kunstwereld opeens
gruwelijk zichtbaar. Tegen de populistische ideeën uit de politiek dat
kunst meer allochtonen moest trekken, laagdrempeliger moest zijn en gespreid
moest worden over het land volgde vanuit die kunstwereld slechts een krampachtig
zwijgen. En inderdaad. Het woei over. De huidige staatssecretaris Van der Laan
heeft zelfs alle ideeën over kunst opgegeven. De kunstwereld moet het zelf
maar uitzoeken. Want die weet het immers zelf het beste. Van der Laan wil natuurlijk
verder in de politiek, weet dat kunst geen maatschappelijk issue is, en hult
zich wijselijk in nietszeggendheid.
Gelukkig is er af en toe nog een schaamteloze domoor in Den Haag, zoals onlangs
CDA-kamerlid Schoonhoven, die de discussie over de rol van kunst in de samenleving
nieuw leven inblaast. Kunstenaars moeten volgens haar, op straffe van een korting
op hun subsidie, verplicht met en voor amateurs gaan werken. Vervang het woord
kunstenaar door hersenchirurg, militair, politieagent of ‹ waarom niet?
‹ politicus, ook allemaal gesubsidieerde beroepen, en het land zou op
zijn kop staan. Maar over kunst kun je eigenlijk alles zeggen in Nederland.
En dat alles kan ook nog eens door iedereen worden gezegd. Kennis van zaken
is niet vereist. Want dit is immers het tijdperk van de meningen. En die meningen
worden door geen enkel idee over de status van het onderwerp in toom gehouden.
Kunst heeft in Nederland helemaal geen status.
Hoewel de geëtaleerde domheid en ongefilterde haat een makkelijk doelwit
zouden moeten zijn voor die vele getalenteerde en naar verluidt royaal gesubsidieerde
kunstenaars in Nederland komt er uit die hoek zeer weinig tegenspraak. Al is
de liefde voor de kunst ongelijkmatig verdeeld, de twijfel aan haar maatschappelijk
nut lijkt algemeen.
Terwijl bijna iedereen het nut voor het algemeen belang van zaken als infrastructuur,
medische zorg en inburgeringscursussen inziet, blijft de maatschappelijke noodzaak
van de kunst in nevelen van onbegrip verborgen.
Is de kunst er eigenlijk wel bij gediend dat zoveel mogelijk mensen van haar
verschijningsvormen kennisnemen? En: is de samenleving daar eigenlijk wel bij
gediend? Het lijkt het politiek correcte ding om te zeggen, maar de waarheid
van die aanname is nooit bewezen.
Het is slechts voor de zielenrust van een enkeling noodzakelijk om bij tijd
en wijle geroerd te worden door het onbekende van een abstracte werkelijkheid.
De meeste mensen (zie de kijkcijfers) voelen zich het meest op hun gemak wanneer
ze elke dag geconfronteerd worden met min of meer hetzelfde. En daarvoor is
de televisie uitgevonden.
Het belang van de kunst voor een samenleving is eenvoudig voor het volk inzichtelijk
te maken wanneer zij weer naast die andere nationale bron van vermaak en onbegrip,
de wetenschap, wordt geplaatst. Er moet een ministerie van Kunst en Wetenschappen
ko men. Geen staatssecretariaat, dat is er voor de visserij. Kunst en wetenschappen.
De dokter en de kunstenaar. Dat snapt iedereen.
Zij vormen, naast het langzaam instortende Groningen, het kapitaal van Nederland,
en dienen geëerd en gekoesterd te worden. En ja, het is een elitair gezelschap.
En dat moet ook zo zijn. Het volk wil geen kunst. En zal dat ook nooit willen.
En heeft dat nooit gewild. Want het volk is angstig en wil op zichzelf lijken.
Liefst zo veel mogelijk, en als het even kan ten koste van het «andere».
Het misverstand in Nederland is dat kunst en cultuur op een hoop worden gegooid.
Maar kunst en cultuur zijn geen vrienden. Kunst en cultuur zijn elkaars aartsvijanden.
Kaganof
and Tuinder want to solve the mystery of the Youniverse.
Post CM, the activity-wing of the Centraal Museum inUtrecht, transformed
into a sanctuary
where the artist’s spirit can rage freely.That is the task that the
artists Aryan Kaganof and Dick Tuinder have set themselves since 4 November.
Next Sunday night the exhibition Sanctuary Mental Space will be ‘completed’,there
will be a party and the next day everything will be taken down and painted
over. For three weeks the audience has been able to see the exhibition developing:
for the artists it is primarily the dynamics of the creative process that
have been important.
Dick Tuinder works on a number of his own alter ego’s. One of them,
Sally de Winter, has centre stage in the Bruna Hall that has been transformed
into a sacred space by virtue of an enormous wall mural by Kaganof and Tuinder.
Tuinder: “Sally is a girl of nine. She talks about sex, politics, about
human relations, but none of this discourse emerges out of experience. She
is a child, but wise and completely pure at the same time. She is there to
redeem me.”
The painting of Sally, which takes up an entire wall, looks most like a contemporary
incarnation of the Virgin Mary. What Sally says and thinks can be seen on
a series of cartoon-like drawings in other halls. And of another alter-ego
Willem Halbertsma, an eighty year old poet-politician, are humoristic sound
poems to be read.
Ian Kerkhof, film maker of Naar De Klote! among others, met his biological
father in 1999. When his father died two years later Kerkhof took on his Jewish
father’s surname Kaganof. “I saw in that moment the opportunity
to reconstruct myself. I was born-again at 39. Your upbringing imposes an
identity onto you but now I had the chance to choose constructively and determine
myself, consciously, recreate myself as a work of art.”
Kaganof does this in the exhibition using the work of six artists that he
invited to represent him. The work of the Illuseum, an Amsterdam artists collective,
is the most intriguing. Through a small crack in a wooden door you can look
into a dark, mysterious space, where an altar of sorts has been set up surrounded
by a collection of sculptures by Gerard Riksen that bring voodoo rites to
mind. In front of the door is a mountain of old books wherein a tv monitor
is embedded. Images of a naked man crawling through a sewerage tunnel are
repeated. Does the image symbolize a birth, or is the man crawling backwards
and forwards between the world of superstition and mysticism and that of knowledge
and reason?
Elsewhere Milijana Babic (Croatia) lets a photo copy machine spew out hundreds
of A4 pages featuring a dot-to-dot drawing of a girl that looks very much
like the artist herself. Babic asks the audience to literally join the dots
and create art works using coloured pencils or written texts. Babic then cuts
out the coloured-in girls and hangs them up in long rows connected by the
hands, giving a party-like atmosphere to the space. Babic hopes that the visitor,
even if it is only for a moment, thus makes contact with the playful child
inside his or her self. Glancing around her room it is clear that a great
many people took passionate advantage of the opportunity.
There are works to be seen at this exhibition that you will not forget quickly:
the minutiaeous hand-written books of Kaganof that he calls the “33
Holy Books of the Abraxas Younity Movement”, the moving video ‘The
Island’ by Catherine Henegan which shows a young child playing in the
middle of a traffic island in Johannesburg while cars furiously buzz past
him. Or the almost meditative video by Alexandra Zwaal-Kallos called ‘Sanctuary’,
of a rock in New Zealand filled with sea gulls while others swirl around aimlessly,
waiting for a place to come free on the rock.
The publicity material that accompanies the exhibition declares that the Post
CM has been transformed into a gigantic brain. And this is how one should
approach SMS: as your own head wherein trains of thought and images rush past
each other, sometimes touching and complementing each other, sometimes crystal
clear in intention, and then again completely hermetic and incomprehensible.
Identity, alter ego’s, politics, religion, sexuality, death, violence:
all of these themes are woven together during this exhibition into a seamless
whole. Kaganof and Tuinder, not shy of lofty ambitions, declare that they
have done it all for nothing less than to solve the mystery of the Youniverse.
Peter ter Veer
Utrechts Nieuwsblad
18 November 2003
SNIJDEN
IN EIGEN VLEES
De pornologische acinema van Ian Kerkhof
Zelfs op die cinefielen die inmiddels vertrouwd zijn met het weerbarstige, ietwat
'perverse' cinematografische werk van Ian Kerkhof moeten de indringende aanvangsbeelden
van The Return of the Deadman een onverwachte fysieke impact hebben. De walging
die hen bij de aanblik van deze onthutsende beelden ongewild ten deel zal vallen
mag dan weliswaar eerder uit esthetische dan uit morele aanvechtingen voortkomen,
slechts weinigen zullen niet in dubbel opzicht beroerd worden. De infernale
kwaliteit van de liefdesscene staat ons niet toe een veilige esthetische distantie
in te nemen, vanwaaruit we de robuuste romantiek kritisch gade kunnen slaan.
Misschien is dit dan ook de reden dat we ongemerkt en haast in weerwil van onszelf
de amechtige, maar bevrijdende lach van de minnaars willen overnemen. Terwijl
zij in en met hun gelach de wrede ban van de orgastische intimiteit breken en
deze in een kameraadschappelijke tederheid doen overgaan, krijgen wij, onthutste
kijkers, even de gelegenheid om weer bij onze zinnen te komen. Blijkbaar biedt
alleen een dergelijk verscheurd en verscheurend lachen nog een uitweg uit het
exces. Met wat voor soort lachen hebben we hier van doen? Het heeft vanzelfsprekend
weinig te maken met de klaterende speelsheid waartoe sommigen erotiek reduceren.
Eerder dan om een harmonisch, lichamelijke communicatie lijkt het hier om een
bezwering, dat wil zeggen zowel een oproepen als een ritualiseren of stileren
te gaan van orgastisch geweld dat ons vreemd genoeg niet alleen met weerzin
vervult, maar dat ons tevens fascineert. Als stonden we aan de rand van de afgrond,
zo lijken we de verleiding niet te kunnen weerstaan een huiverende blik in dit
gewelddadige duister te werpen. Het gaat in deze scene dan ook minder om sex
dan om de overrompelende ervaring van grensoverschrijdend geweld. Meer om zo
we dit beladen woord mogen gebruiken extatische communie dan om harmonieuze
communicatie.
1 De Deadman: de levende dood
Bezien tegen deze achtergrond lijken mij de beelden die erop volgen aan samenhang
en betekenis te winnen. De hoofdpersoon van de film is een oude man. Hij is
oud genoeg om zo niet alles dan toch zeker te veel te hebben gezien. Hij is
de 'deadman'. Maar de 'deadman' is, ondanks de bewust ingebrachte kitscherige
verwijzingen naar het horrorgenre, geen zombie, geen 'undead'. De oude man is
de deadman, omdat hij in staat is in het leven de dood onder ogen te zien. Onderwerp
van de film is derhalve niet de dood na, maar de dood in dit leven die zich
bij uitstek aandient in en als het verval. De absolute grens van ons bestaan,
de dood, kan slechts worden ervaren in de huiver ten overstaan van het grensoverschrijdende,
excessieve geweld waaraan naar gemeenschap strevende individuen zich willens
en wetens uitleveren. Als Ian Kerkhofs film al ergens over gaat, als er al een
onderwerp is, dan is het deze grenservaring. Evenmin als de blik van een zombie
verraadt die van de deadman doorgaans enige emotie. Als zijn versteende gelaat
waarin de wereld lijkt te verdwijnen een emotie vertoont dan is dat er een die
het midden houdt tussen ongeloof en huiver. Zoals wij bij het zien van de liefdesscene
ongelovig heen en weer geslingerd worden tussen weerzin en fascinatie, zo wordt
de deadman aangetrokken en afgestoten door de aanblik van de massieve vrouw
op de bar die eerst schaamteloos haar rok optilt en haar geslacht ontbloot,
vervolgens na een metamorfose te hebben ondergaan zij verandert in de geliefde
van de deadman vóór hem en tenslotte over zijn gezicht pist. Door
de aanvangsscene met het 'levensechte' exces krijgt de laatste scene een enorme
spanning: niet omdat het onduidelijk blijft of het om een getruceerd of een
'echt' exces gaat, maar omdat door het achterwege blijven van de bevrijdende
lach de ban van het exces niet wordt gebroken. Misschien is de functie van de
eerste scene, van deze 'zakelijke' registratie van voor velen ondenkbare excessiviteit
wel bedoeld om het kijkende subject letterlijk te ontzetten, zodat het, tot
over de grenzen van zijn veilig voyeurisme gedreven, zich opent voor de elementaire
ervaring waaraan het op cinematografische wijze wordt blootgesteld. Zoals gezegd,
het onderwerp (subject) van de film is niet een autonoom handelend individu,
maar het spanningsveld van teugelloze krachten waarbinnen dit noodgedwongen
zin en richting aan zijn bestaan probeert te geven. De elementaire krachten
waaraan het voortdurend wordt blootgesteld, kunnen we niet anders dan zeer letterlijk
nemen: vuur, wind, water en aarde, waarbij ik mij de filosofische vrijheid veroorloof
om onder dit laatste element de materie in het algemeen en een excessieve lichamelijkheid
in het bijzonder te verstaan. Kortom, niet de psychologisch verklaarbare gedachten
of motieven van personen, maar het zelfverlies, het zich uitleveren aan onontkoombare
scheppings en vernietigingskrachten vormen in tweevoudige zin het onmogelijke
subject van Kerkhofs filmische impressie The Return of the Deadman.
Er vinden gebeurtenissen plaats. Zo belandt de deadman in een bar, waar een
onbekende vrouw hem haar geslacht toont door staande op de bar haar rok op te
tillen. Aarde. Haar blasfemische uitspraak: "Ik ben God" gaat verloren
in geknetter en geloei van een vuurstapel die zonder overgang overgaat in de
vuurzee waaraan het hoofdkwartier van ketterse godsdienstfanaten in Waco ten
prooi viel. Vuur. We worden van de brandende gebouwen via de vuurzee weer teruggevoerd
naar het geslacht van de gemetamorfoseerde vrouw die voor de deadman krachtig
een straal urine loost. Aarde gaat discontinu over in water: achtergrondgeluiden
van brekende golven, een bulderende branding. Maar wat we 'werkelijk' zien is
een gesolariseerd beeld van de zon, die plotseling zwart wordt. De beelden worden
negatief. Er tekent zich een vloedlijn af. De oude man loopt erlangs. Een jong
meisje, Marie, dartelt om hem heen. Ze vlijen zich in het zand en omhelzen elkaar.
Als het beeld niet meer gesolariseerd is, zijn beiden verdwenen en bevindt zich
op de plaats van het meisje een reeds uiteengevallen skelet. Na aarde, vuur
en water dient zich het laatste element aan. Een gure, snijdende wind raast
door een desolaat, Stalkerachtig, 19e eeuws industrieel landschap waarin vervallen
gebouwen en betonnen staketsels zich tegen een groenig daglicht aftekenen. Deze
ruïneuze omgeving, volstrekt nutteloos, overgelaten aan het geweld van
de elementen is het opperste teken van verval, dat wil zeggen: van de dood in
het leven. Het water, nu in de hoedanigheid van de striemende regenvlagen (een
prachtige metamorfose van een wasstraat!), hoost op de voorruit van de taxi
waarin zich naast de chauffeur het meisje bevindt. De deadman zit op de achterbank
en kijkt met dezelfde lege blik toe hoe de chauffeur door het meisje verleid
en overrompeld wordt. De beelden worden discontinu en negatief. Geluidloos paart
de omhooggerichte, amechtige mond van de chauffeur zich als in Bacons vroege
schilderijen met de holle ogen van de deadman. De laatste scene speelt zich
weer af in de schaars verlichte bar. De camera beweegt erlangs en registreert
de gefixeerde blikken van de aanwezigen. Zombieachtige wezens, wier verschijningsvorm
ons het beeld van de minnaars in herinnering roept, bewegen zich schuifelend
in het schemerlicht. Als gehypnotiseerd kijken de bezoekers naar het paar dat
op de muziek van een trage, slepende tango, 'gespeeld' door een sexueel onbestemd
trio, tegen een kitscherig decor van een immense hoeveelheid brandende kaarsen
hun rituele dans uitvoert. Na een korte tussenshot van de reeds eerder getoonde
brandstapels met de zon culmineert de film in het beeld van de deadman die,
teruggekeerd naar de bar en dit is wellicht de echte 'return' volledig geobsedeerd
door het ontblote geslacht van de vrouw op haar toestrompelt. Zij bepist hem
overvloedig. Met zijn van urine druipende gelaat staart hij in haar kruis. The
End.
2 Batailles Le Mort
In de herfst van 1942 schrijft Georges Bataille, die zich op dat moment voor
de genezing van een tuberculeuze aandoening in Normandië bevindt, een korte
tekst getiteld Le Mort (de dode). Deze erotische tekst is niet de eerste die
uit zijn pen vloeit. Vanaf het eind van de twintiger jaren schrijft hij regelmatig
van dit soort teksten, waaronder Histoire de l'oeil (Geschiedenis van het oog)
en L'anus solaire (De zonneanus). Precies een jaar eerder had hij een andere,
eveneens zeer korte, erotische tekst geschreven onder de titel Madame Edwarda.
Daarin raakt de hoofdpersoon die zowel de ikfiguur van het verhaal als de afstandelijke
verteller is die in Kerkhofs langere films zijn filmische pendant krijgt in
de veelvuldig gebruikte voiceover in een bordeel verzeild. Bij de aanblik van
het geslacht van een hoer en het aanhoren van haar bewering dat zij God is raakt
hij geheel buiten zichzelf. Met deze zelfde vrouw beleeft hij binnen en even
later buiten het bordeel allerlei excessen, waaronder de 'overmanning' van de
chauffeur van een taxi. In De Dode gaat het om een jonge vrouw, Marie, die zich
als reactie op de dood van haar minnaar reeds onmiddellijk aan het begin van
de tekst: de dode speelt dus verder geen rol in het verhaal uit pure wanhoop
in het plaatselijke cafe aan allerlei sexuele excessen (naast de 'reguliere'
excessen ook pissen, masturberen en kotsen) te buiten gaat, als wilde ze nog
een laatste maal met haar dode minnaar 'communiceren'. Wanneer ze na deze escapades
met één van de cafébezoekers in het huis van de dode terugkeert,
pleegt ze ten overstaan van hem bij het lijk van haar minnaar zelfmoord. Bataille
wilde filosoferen zoals een hoer haar rok optilt. Deze twee pornografische verhalen
die toendertijd vanzelfsprekend niet of slechts onder pseudoniem gepubliceerd
konden worden, vormen dan ook een integraal deel van een literair, (kunst)filosofisch
en wetenschappelijk oeuvre dat tussen 1928 en 1962 gestalte krijgt en dat zich
zeker ten tijde van beide genoemde verhalen sterk op het nietzscheaanse gedachtengoed
heroriënteert. Het ideeëngoed van Bataille is door zijn obsessie voor
de grensoverschrijdende impact van een mengeling van erotiek, geweld en 'mystieke'
extase in de meest direkte zin bevreemdend te noemen: hij probeert op radicale
en compromisloze wijze de fascinatie en weerzin voor het volstrekt Vreemde,
dat wil zeggen de huivering ten overstaan van dat wat in archaïscher tijden
het sacrale en in onze christelijke cultuur God (of de Duivel) werd genoemd,
in weinig conventionele beelden en middels een diversiteit van literaire en
wetenschappelijke procedé's te toonzetten. Bataille tracht met zijn vaak
bruuskerende taalbeelden de lege plek te belichten die na 'de dood van God'
in de moderne tijd is vrijgekomen. Met zijn taal probeert hij deze ervaring
tevens zo te toonzetten dat de lezer er onwillekeurig aan wordt uitgeleverd.
Inhoud en vorm worden zo gestileerd dat het beschrevene in de interactie met
de lezer in ervaring wordt gebracht. In het geval van de tekst De Dode past
hij zelfs de grafische vormgeving aan: de korte tekstfragmenten zijn in zwarte
rouwkaders afgedrukt. Filmisch geformuleerd: Bataille past zijn kadrering aan
aan de beoogde ervaring. Eén van de centrale thema's in Batailles werk
is de gemeenschapsstichtende werking van het offer. Het is namelijk het offer
dat juist door de geritualiseerde omstandigheden waaronder het plaatsvindt individuen
in staat stelt om op indirekte, want bemiddelde wijze dat wat hun leven overstijgt,
omvat en op paradoxale wijze zin geeft te ondergaan. In een wereld zonder God,
in onze doorgerationaliseerde moderne cultuur kan deze ervaringsdimensie nog
slechts voorgesteld worden als onze persoonlijke dood. Het offer, meent Bataille,
brengt de dood in het leven. Offeren vat hij op als een gift waar geen tegengift
tegenover kan worden gesteld. Voor hem is het een volledige verspilling. Deze
gedachte breekt met de grondwet van de moderne, rationele economie die gebaseerd
is op nut en produktiviteit, dat wil zeggen op een door en door rationele orde
die alleen maar groots investeert als de baten een meerwaarde opleveren. Maar
het offer is naast het teken van verspilling tevens de uitdrukking van het totale
zelfverlies. Dit zelfverlies en hier klinkt de voor Batailles denken zo kenmerkende
verstrengeling van mystiek en erotiek door is een letterlijk buiten zichzelf
treden: een extase, een kleine dood ('la petite mort' betekent tevens rilling
of orgasme). Hoewel dit op het eerste gezicht nogal banaal lijkt, is kotsen
maar in feite elke andere vorm van gewelddadige uit en afscheiding voor Bataille
een uitdrukking van deze excessieve extase: het innerlijk stulpt als het ware
naar buiten. De fragiele grens tussen een krampachtig bijeengehouden innerlijk
en een bedreigende buitenwereld, tussen onze autonome subjectiviteit van waaruit
we de wereld menen te beheersen en de heterogene krachten die ons voortdurend
bestoken, lost even op. In deze ontzetting kon de archaïsche mens nog een
aanwezigheid van de goden bevroeden. Voor de moderne geïndividualiseerde
mens is deze overweldigende, maar toch ook gemeenschapsstichtende ervaring per
definitie een bedreiging van zijn individualiteit. Slechts als bijprodukt van
een gereguleerde exces valt hem deze ervaring soms toe. Erotiek en kunst zijn
volgens Bataille de bevoorrechte sferen waarbinnen in een wereld zonder rituelen,
een wereld verstoken van iedere sacraliteit nog overschrijding, zelfverlies,
dat wil zeggen verspilling en een offer kan plaatsvinden. Dit zijn grofweg de
achterliggende gedachten bij de diverse teksten die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog
schrijft. Daarbij, zo zal duidelijk zijn, kan geen kwalititief verschil worden
gemaakt tussen zijn erotische teksten en zijn meer literairfilosofische werk,
zoals het tezelfdertijd gepubliceerde werk over Nietzsche en L'expérience
intérieure (De innerlijke ervaring). In iedere tekst wordt met talige
middelen gepoogd de objectiverende, beheersende instelling van zowel het lezende
als het schrijvende subject te ontwrichten. In die zin is Batailles werk uiterst
gewelddadig. Maar, zo mag tevens duidelijk zijn, dit geweld kan niet gelijk
gesteld worden met de manifeste vormen van agressief gedrag. Het is veel subtieler,
diverser, maar voor alles radicaal omdat het iedere vorm van autoriteit of macht
aan zijn eigen grondslag geweld blootstelt. Batailles literaire wreedheid is
in die zin zelfreflexief.
3 Mediumspecifieke wreedheid: de ontzettende kracht van de film
Zijn inzichten in de paradoxale geaardheid van de moderne wereld de weerzin
en fascinatie voor grensoverschrijdend geweld hebben vele kunstenaars en filosofen
geïnspireerd. Ian Kerkhof is niet de eerste die zich met de erotische teksten
van Bataille bezighoudt en hij zal zeker niet de laatste zijn. In de afgelopen
jaren heeft zich, als ik me tot kunstvormen beperk waarin bewegende beelden
centraal staan, naast theaterstukken nog een andere verfilming aangediend: The
Deadman van Peggy Anwesh en Keith Sanborn uit 1989. Hoewel de inspiratie Batailles
tekst en het gebruikte medium hetzelfde zijn is er inhoudelijk noch formeel
ook maar een minimale vergelijking mogelijk. Slechts indirekt is er een 'reflexieve'
overeenkomst te vinden: een merkwaardig soort lachen. Hoewel er evenmin als
dit in Kerkhofs film het geval is in die van Anwesh en Sanborn wordt geschaterlacht,
klinkt er tot tweemaal toe onverwacht een kort lachsalvo op. Het enigszins steriele,
want geheel voorspelbare filmische procedé dat de Amerikanen volgen het
'letterlijk' verfilmen van een literaire tekst wordt twee keer kort onderbroken.
Over een tweetal scene's is namelijk om in ieder geval voor mij onverklaarbare
redenen ingeblikt gelach van een fictieve 'audience' gemonteerd. Onmiddellijk
dringt zich de vraag naar de functie van deze even willekeurige als plotse breuk
in het verhaal op. Willen de filmers de kijkers er misschien op wijzen hoe flinterdun
de werkelijkheid van de film is? Want dat is immers het effect: door de lachsalvo's
krijgt de film die reflexieve ruimte die zo kenmerkend is voor de laatmoderne
film. De oppervlakkigheid van cinematografische middelen, het radicale besef
van de schijn komt door de lachsalvo's plotseling 'in beeld'. Maar misschien
zijn dit de enige twee spannende momenten in de verder nogal 'platte' film.
Wat The Deadman van Anwesh en Sanborn vooral zo saai maakt, is hun ontoereikendheid
de 'pornografische' kwaliteit van Bataille's teksten te vertalen in hun eigen
medium. Anwesh en Sanborn produceren uiteindelijk slechts een plaatje bij een
praatje. Daarentegen heeft Ian Kerkhof begrepen dat een verfilming van een tekst
van Bataille per definitie verraad aan diens tekst inhoudt. Vanzelfsprekend
is in de loop van de afgelopen vijftig jaar onze zedelijke sensibiliteit drastisch
veranderd: wat ten tijde van de produktie van Batailles tekst als schokkend
werd ervaren, is hedentendage hoogstens nog een lachwekkende banaliteit. Het
verraad vloeit echter niet voort uit deze verschuiving van de grenzen van wat
wel en niet als obsceen of weerzinwekkend wordt ervaren. Het wordt eerder afgedwongen
door het inzicht dat wreedheid altijd mediumspecifiek is: de pornografische
kwaliteit van de taal dient in het medium film te worden vertaald. Dit impliceert
een gewelddadige omgang met de cinematografische middelen: een nouvelle violence
die eerder dan inhoudelijk formeel van aard is. Het geweld en de obsceniteit
zijn dus maar ten dele gelegen in de getoonde beelden. Het platte pornografisch
genre is slechts een functie van een objectiveringswijze, die inherent is aan
een cultuur die de stelregel "eerst zien, dan geloven" als de ultieme
graadmeter voor waarheid opvat. Het is vooral de wijze van tonen, of beter:
het tonen zelf dat haar obsceniteit moet blootgeven. Als we Jean Baudrillard
mogen geloven dan is onze cultuur door en door pornografisch, omdat de wil tot
waarheid ons ertoe heeft aangezet alles met een objectiverende blik aan de letterlijk
fragmenterende werkingen van de camera bloot te stellen. Onze westerse, moderne
cultuur is in die zin door en door pornografisch, dat alles getoond moet worden.
De blik is nietsontziend geworden. Niets blijft de kijker bespaard, ook al is
er, zeker in Amerikaanse films een haast Victoriaanse censuur werkzaam. Dat
is wellicht de reden waarom Anwesh en Sanborn Batailles tekst letterlijk hebben
verfilmd. De vele tvprogramma's waarvoor het cinematografische procedé
toch constitutief blijft waarin iedere intimiteit aan de openbaarheid wordt
prijs gegeven zijn in feite pornografischer dan de sporadische programma's waarin
expliciete sex wordt getoond. Kerkhofs vertaling van de pornografische kwaliteit
van Batailles teksten is dus tweeledig: het betreft zowel inhoudelijke als formele
aspecten. Het tonen van sexuele aberraties vindt zijn formele pendant in zijn
mishandeling van de beeldmiddelen. Door een bepaalde cameravoering, door het
gebruik van onconventionele kaders, door de tijd op te rekken wordt de kijker
uitgeleverd aan de werking van zijn eigen obscene blik. De traagheid van vele
scene's, opgeroepen door de volstrekte immobilisering van de beweging, maakt
een ruimte vrij waarin de blik van de toeschouwer zichzelf kan ontmoeten. Zo
biedt zich een verleiding aan anders te kijken of in ieder geval de aandacht
naar andere aspecten van het filmisch gebeuren te verleggen. Daarmee balanceert
Kerkhof echter op de rand van de artistieke afgrond: raken de toeschouwers verveeld
of laten ze zich tot een andere houding ten aanzien van of gevoeligheid voor
de beelden verleiden? Mediale zelfreferentialiteit is wellicht de kern van Kerkhofs
filmische experimenten. Het grote gevaar ervan is zonder twijfel gelegen in
een trivialisering van de beelden. Evenals een esthetisering van geërotiseerde
lichamen tot dodelijke verveling leidt zie daartoe het werk van David Hamilton
of iets recenter: die van Adrian Lyne zo kan een te uitgesproken manipulatie
van obscene beelden de wreedheid van het medium volledig teniet doen. Dan verliest
de film zijn reflexiviteit en verwordt tot een representerend medium, dat wil
zeggen tot louter porno. De fragmentatie van lichamen en de vertraging van handelingen
wordt niet meer gezien. De blik verliest zijn diepte. Kerkhofs bewuste snijtechniek
openbaart dus het pornografisch gehalte van deze blik. Door inhoud en vorm zo
te stileren dat zij elkaar aanvankelijk versterken, maar uiteindelijk ontwrichten
treedt de wreedheid het geweld ten aanzien van de dingen dat van deze planmatige
objectivering uitgaat aan het licht. Het getoonde wordt in ervaring gebracht.
Het geweld voltrekt zich aan de kijker zelf, waardoor deze zich niet meer gedistantieerd
kan opstellen. Al kijkend ervaart hij of zij de blik waarmee de dingen op afstand
wordt gehouden. Het resultaat heeft in de meest letterlijke zin een hoogste
filosofische kwaliteit: zuivere reflectie: de kijker ziet zichzelf kijken. Zo
wordt in eigen vlees gesneden. Kerkhof trekt de radicale consequentie van onze
omgang met de wereld. The Return of the Deadman biedt meer dan een representatie
van een fundamenteel geweld, zoals in de film van Anwesh en Sanborn uitsluitend
het geval is: de cinematografische operatie is er tevens zelfreflexieve presentie
van. Het is daarom een film à la Bataille, een batailleske film. The
Deadman daarentegen is een film over een tekst van Bataille, een bataillaanse
film. In tegenstelling tot de bataillaanse film van beide Amerikanen, waar het
slechts om een illustratie van een tekst gaat, weet Kerkhof met zijn middelen
de intensiteit van Batailles teksten te behouden. Alleen door een mediumspecifieke
wreedheid, met andere woorden door een bewuste mishandeling, door een offer
van gevestigde cinematografische procede's is een ontzetting van het kijkende
subject nog te bewerkstellingen.
4 Hyperreflexiviteit: verdiepen van de oppervlakkigheid
The Return of the Deadman bestendigt een inhoudelijke lijn die vanaf de eerste
korte filmische impressies aanwezig is. Het thema van de dood in het leven,
in de eerste filmische impressies verbeeld in een pseudoreligieuze metaforen
met een hoog kitschgehalte, vindt zijn voorafschaduwing in die van de onmogelijke
communicatie en de eenzaamheid en niet zoals sommigen menen: de onverschilligheid
die de grondtoon vormen van de drie films waarmee Kerkhof de afgelopen jaren
zijn dubieuze roem heeft gevestigd. In Kyodai en The Mozart Bird lijken de protagonisten
door de onmacht om elkaar te bereiken uiteindelijk uit elkaar gedreven te worden
en in Ten Monologues of the Lives of the Serial Killers worden de meest gruwelijke
pseudorituelen geschilderd waarin deze onmacht in een poging zichzelf ongedaan
te maken de terugkeer tot een menselijke gemeenschap voorgoed onmogelijk maakt.
Het is weliswaar verleidelijk om ieder geëxtatiseerd lichaam dat het doek
bevolkt, zelfs dat van de filmer, en elke ogenschijnlijk perverse handeling
als een noodkreet om communicatie op te vatten. Een dergelijke, iets te gemakkelijke
'visie' stelt de criticus immers in staat om dit beginnend oeuvre af te doen
als filmisch exhibitionisme van een verdoolde frustraat die zijn puberale autoerotiek
nimmer te boven is gekomen. Voer voor psychologen, maar niet voor een zichzelf
respecterende criticus. Ontslagen van de plicht om mijn eigen vakgenoten te
gerieven door een voor de hand liggend 'kritisch' oordeel te vellen veroorloof
ik mij de luxe om deze smakeloze, autoerotische performances ietwat anders te
duiden. Het ligt voor de hand om, als er al sprake is van een amechtige schreeuw
om communicatie, deze inhoudelijke thematiek eerder vanuit het bovengeschetste
pseudorituele dan vanuit een zeer beperkend en beperkt psychologisch perspectief
te begrijpen. Meegaand met de visie van de filmer wil ik me zo ver mogelijk
van ieder psychologisme verwijderen om zo dicht mogelijk in de buurt van het
medium te komen. Zo word ik in staat gesteld zijn monomane autoerotiek als een
noodzakelijke consequentie van de aan dit filmisch corpus eigen reflexiviteit
te analyseren. Over wat voor reflexiviteit spreek ik dan? Ik doel in geen geval
op Kerkhofs gekoketteer met filosofische oneliners of titels van cultboeken:
"Booze and fucking are the Fatal Strategies" zegt de pedante Howie
in The Mozart Bird. Evenmin heb ik zijn iets te geforceerde poging op het oog
om verschillende films op Greenawayaanse wijze te vervlechten: Selene, Howards
lotgenoot, heeft ene Kyodai ontmoet die foto's van zichzelf uitdeelt, die in
Kyodai Makes the Big Time zijn gemaakt door een door Kerkhof zelf gespeelde
fotograaf. Hiermee overstijgt Kerkhof nauwelijks de trendy citeerlust en speelse
systeemdrang, eigen aan een ondoordachte postmoderne instelling. De beoogde
reflexiviteit moet elders worden getraceerd. Zij is deels inhoudelijk, deels
formeel. Wordt in bijvoorbeeld C'est arrivé pres de chez vous het obscene
geweld van het filmen als een ogenschijnlijk zakelijk registratie van de feiten
vooral inhoudelijk (aan)getoond iets waarbij de lach, dat wil zeggen de parodie
en de persiflage eveneens onontbeerlijk zijn in Kerkhofs werk wordt deze zelfkritische
reflectie tweevoudig versterkt: inhoudelijk door het objectiviteitscynisme van
C'est arrivé te ontpsychologiseren en dus het geweld zonder psychologische
inbedding te presenteren, formeel door de cinematografische middelen te verkrachten.
Zo is zijn film Ten Monologues from the Lives of the Serial Killers radicaalreflexief,
omdat de cinematografische procedé's en middelen op brutale wijze 'in
beeld' worden gebracht. Een van de meest markante voorbeelden biedt de slotscene
van de laatste monoloog. Niet zozeer omdat daarin een filmcamera figureert,
maar omdat de doorbrekende emoties van de verteller worden afgekapt door de
stem van de regisseur. Op het moment dat de emotie en daarmee het lijden van
een individu 'werkelijk' doorbreekt, met andere woorden wanneer de psychologische
dimensie zich opent, wordt de zich plots aandienende mogelijkheid voor de toeschouwer
om zich met een psychologisch subject te identificeren in de kiem gesmoord:
het produktiesysteem wordt op brute wijze in beeld gebracht. Wellicht ook voor
hem onvoorzien realiseert Kerkhof hiermee zijn filmische pretentie "to
avoid ... specific psychological reasoning and psychology's attendant obsession
with motivation". Tegen deze achtergrond van een samenspel van vorm en
inhoud situeer ik Kerkhofs autoerotische ingrepen. De reflexiviteit wordt nog
eens verdubbeld en gaat over in hyperreflexiviteit als de filmer zichzelf of
precieser: zijn lichaam tot object van de pornografische blik maakt. Als hij
de verstrengeling van inhoud en vorm aan zichzelf voltrekt en hij zich ten overstaan
van de kijker schaamteloos blootgeeft. Evenals Madame Edwarda tilt hij zijn
rok op en zegt hij: "Ik ben de Grote Regisseur". De projecties van
sadomasochistische scene's op zijn masturberende lichaam in Ten Monologues zijn
daar een goede illustratie van, maar meer nog de pornobeelden op de beeldschermen
in The Solipsist. Pas in deze filmische impressie wordt het mes radicaal in
het eigen vlees gezet.
5 Pornologisch filmen en hyperreflexieve lichamelijkheid
Misschien is de korte film The Solipsist Kerkhofs meest instructieve film. Het
pornografisch gehalte wordt alsmaar verdubbeld, reflecteert als het ware onophoudelijk
in zichzelf. Zoals Bataille zich als actief schrijvend subject, als oorsprong
van zingeving in zijn teksten mutileert, zo ontmant Kerkhof zichzelf. De haast
chirurgische activiteit van de filmmaker, die de werkelijkheid fragmenteert,
op en opensnijdt, moet hij in een even oprecht als leeg gebaar tenslotte aan
zichzelf voltrekken. Het feit dat hij om met de woorden van Peter van Bueren
te spreken niet "van zichzelf af kan blijven" en dit ook voortdurend
moet tonen, heeft eerder een methodische dan psychopathologische grond. Anders
gezegd: in een tijd waarin de authenticiteit van de kunstenaar als scheppend
subject tegelijkertijd met God en de Grote Verhalen ten onder is gegaan, kan
de kunstenaar slechts waarachtig zijn als hij niet alleen zijn medium maar ook
zijn lichamelijkheid in de meest brede zin van het woord op het spel zet. In
deze intentie en in zijn obsessie voor gefragmenteerde en geëxtatiseerde
lichamen, die zijn filmische blik heeft gevormd, is Kerkhof nog deel erfgenaam
van de performancecultuur van de zestiger jaren. En toch kan de nadrukkelijke
aanwezigheid van erotische scene's niet helemaal vergeleken worden met de (gefilmde)
Aktionen van bijvoorbeeld Hermann Nitsch. Kerkhofs pornografie, zijn beeldende
schriftuur van gewelddadige lichamelijkheid is voorbij de verkrampte poging
om zich in een zich steeds meer versnellende wereld aan het lichaam het laatste
toevluchtsoord van een panische cultuur als materiële presentie vast te
klampen. Hoewel het er altijd wel iets voor de stelling te zeggen is dat hij
de toenemende vervluchtiging van de wereld, die het gevolg is van een intensivering
van de reflectie, wil compenseren met een overdaad aan gewelddadige lichamelijkheid
kan zijn 'exhibitionisme' beter geduid worden als het exces van reflexiviteit.
Zijn pseudopornografische autoerotiek is dan geen ontkenning maar het onvermijdelijke
gevolg van de hyperreflexieve kwaliteit van zijn films. Niet de persoon met
zijn frustraties, niet een of ander psychologisch analyseerbaar individu dat
zich van een medium bedient staat hierin centraal, maar het medium zelf in zijn
totale pornografische presentie: "I am the medium, the medium is the message".
Laten we de al te beladen term 'pornografie' vergeten. Laten we om het methodisch
karakter van het (auto)erotisch exces beter tot zijn recht te laten komen voor
een term kiezen die Gilles Deleuze ooit gebruikte in een opstel over het werk
van SacherMasoch: pornologie. Sprekend over Sade en SacherMasoch merkt Deleuze
op: "Pornologische literatuur is er voor alles op gericht om de taal met
zijn eigen grenzen te confronteren, met dat wat in zekere zin een 'niettaal'
is (geweld dat niet spreekt, erotiek die onbesproken blijft)". Als vervolgens
'literatuur' door 'film' en 'taal' door 'beeldtaal' wordt vervangen, en we Deleuzes
toevoeging dat deze confrontatie slechts "door een interne splijting van
de taal" kan plaatsvinden meedenken, dan wordt duidelijk dat zijn 'obsceniteiten'
een integraal onderdeel zijn van het hyperreflexieve karakter van zijn werk.
6 Pornologische acinema: filmische desubjectivering
De hoofdrolspelers in de films van Ian Kerkhof worden in hun gedragingen eerder
dan door hun eigen wil door krachten bepaald die zij hoogstens zo weten te stileren
dat ze dragelijk zijn. Ze zijn slechts bij oppervlakkige beschouwing in bezit
van een eigen wil. Zij zetten hun subjectiviteit op al dan niet zichtbaar gewelddadige
wijze keer op keer op het spel, bezeten van krachten die ze in bezit willen
nemen. In de cinematografische metaforiek van The Return of the Deadman openbaren
deze zich als de elementen aarde, water, vuur en wind. Daar blijkt het werkelijke
'subject', het vijfde 'element' of de quintessence precies een lege plaats te
zijn die zich, als het oog van de orkaan, in ieder individu bevindt: deze leegte
laat zich niet anders denken dan als een in moderne ogen verwerpelijke willoosheid,
als een batailleske doelloosheid of 'motivelessness'. Hoe deze leegte te filmen?
Of moeten we deze vraag paradoxaler formuleren: hoe deze bewegingsloosheid,
deze inertie in gang te zetten in een medium dat in essentie juist het schrijven
met bewegingen is? Gegeven deze paradox kan Kerkhofs werk in de bewoordingen
van JeanFrançois Lyotard acinematisch genoemd worden: "De acinema",
meent Lyotard, "zou gesitueerd kunnen worden aan beide uiteinden van de
film opgevat als het schrijven van bewegingen: dus, extreme immobilisering en
extreme versnelling." Hoewel deze twee modaliteiten elkaar lijken uit te
sluiten, zijn zij "slechts voor het denken (...) onverenigbaar." Op
het libidineuze vlak, daar waar de toeschouwer door en van de intensiteit van
de beelden beroerd wordt, gaan beide momenten naadloos in elkaar over: het exces
eist een exponentiële versnelling die door zijn extatische kwaliteit tegelijkertijd
immobiliseert. De trage, slepende, discontinue en diffuse beelden uit The Return
of the Deadman verstommen regelmatig tot tableaux vivants, zoals we die bij
uitstek in het werk van Pierre Klossowski tegenkomen. Dat Lyotard naar de fantasmatische
inwerking van deze vertraagde 'perverse' beelden van Klossowski verwijst en
Ian Kerkhof een van diens korte beeldsequenties, La séquence des barres
parallèles heeft 'verfilmd' berust zo bezien niet geheel op toeval. Deze
vertraging tekent zich vervolgens af tegen een versnelling die door de wederzijdse
inwerking van vorm en inhoud, medium en maker, kortom door de hyperreflexiviteit
wordt opgeroepen. Lyotard ziet in het werk van abstractexpressionisten als Rothko,
Pollock en Newman deze versnelling optreden door de zelfreferentialiteit die
in het kunstwerk wordt opgenomen: bij hen is het beeldend materiaal subject
geworden. De bewuste mishandeling van schilderkunstige middelen werkt door in
de ervaring van de kijker. Wil hij het ambivalente genot van deze abstracte
werken ondergaan dan impliceert dit, om de woorden van Lyotard te gebruiken,
"de verwerping van zijn eigen lichamelijke eenheid en de samenhang van
zijn bewegingen die de bestaansvoorwaarde daarvoor is: deze kunstobjecten eisen
(...) de verlamming (...) van de 'subject'klant, het uiteenvallen van diens
organisme." The Return of the Deadman is pornologische acinema. Juist door
deze dubieuze kwaliteit blijft genieten van de film een hachelijke onderneming.
Niet in het minst omdat de filmer Kerkhof zich bewust oriënteert op dat
diffuse, door moraal en politiek onbewust vooronderstelde, maar openlijk geschuwde
gebied waar verkrachting en intimiteit, geweld en gemeenschap en in artistieke
zin: kitsch en kunst ongemerkt in elkaar overgaan.
Henk Oosterling

'Mijn
houding tegenover de Kunst is nogal raadselachtig.
(Kunst
heeft niets
met kultuur of ´kultuurbeleid´ te maken. De kunst is goddelijk,
en is
eigenlijk net zoiets als de religie, en is dus ook a-moreel.
Maatschappelijke kunst is haast niet denkbaar. Kunst heeft geen nut. Door
de kunst kan het Kwaad in de wereld gevierd worden en tot gelding komen,
geloof ik, dat wel. Maar ik weet nergens wat van.)'
Gerard Reve,
Brieven aan Simon C. 1971 - 1975,
Veen 1982 (p.142)